In de recente Nederlandse fauna kent men twee soorten Ensis, E. ensis (L.) en E. siliqua (L.), waarvan de determinatie op grond van de kenmerken van de schelp in het algemeen geen moeilijkheden oplevert. Van E. ensis zijn twee vormen te vinden: een grote, weinig gekromde, en een kleine, sterker gekromde. In de Fauna van Nederland, afl. XII (Lamellibranchia), 1943, noemt Tera van Benthem Jutting op bldz. 355 deze twee vormen als f. major Colbeau en f. minor Réquien. Het is niet denkbaar dat exemplaren van de f. minor doorgroeien tot zulke van de f. major; zij zouden zich dan moeten kunnen strekken, wat voor een vast lichaam als een schelp natuurlijk niet mogelijk is. Vindt men jonge exemplaren van de f. major, dan verschillen zij duidelijk van even grote schelpen van de f. minor.