Onder de ontzettendste natuurverschijnselen behoort het woeden eens hevigen storms. Wanneer de lucht, die ijle veerkrachtige stof, welke onze geheele aarde omgeeft, van hel eene punt harer oppervlakte naar het andere stroomt, dan kan die beweging soms eene snelheid en kracht erlangen, welke inderdaad verschrikkelijk zijn. Wij, bewoners der Noordelijke gematigde luchtstreek, kunnen ons echter slechts een flaauw denkbeeld daarvan vormen, want de zeldzame lievige stormen, waarvan wij getuigen zijn geweest, doen in woede nog verre onder voor die, welke van tijd tot tijd in de landen en zeeën tusschen of nabij de keerkringen worden ondervonden. Het is aldaar, dat die voortgaande wervelwinden of tornados heerschen, tegen welker geweld schier niets, dat door menschenhanden gebouwd werd, bestand is. In de laatste jaren heeft men den merkwaardigen loop dier stormen nader leeren kennen, en hen tot het voorwerp van een gezet natuurkundig onderzoek gemaakt, waarvan het gevolg is geweest, dat het thans mogelijk is, zekere voorschriften te geven, die, door de zeevaarders in acht genomen wordende, hen in staat stellen die vreeselijke tornados te ontzeilen. In een volgend nommer van dit Album zal een onzer daartoe het best bevoegde medearbeiders van den toestand onzer kennis dienaangaande een overzigt geven. Wij wenschen het volgende als eene inleiding daarop beschouwd te zien. Het bevat de levendige beschrijving van zulk eenen draaijenden storm door eenen ooggetuige, een’ Engelsch zeereiziger, bijgewoond, toen hij zich, vóór eenige jaren, op eene plantaadje nabij St. John, de hoofdplaats van Antigoa, een der Antillische eilanden, bevond. Wij zullen alleen het oorspronkelijke opstel eenigzins bekorten, door weglating van zulke bijzonderheden, welke voor ons doel van geen belang mogen geacht worden. “Op eenen ochtend, in de maand Augustus, waren alle de bewoners der plantaadje Dog-Hill reeds zeer vroegtijdig op de been en ijverig bezig aan de voorbereidselen tot een bruiloftsfeest. Ook ik was vroeg opgestaan, ten einde niets te verliezen van dit vrolijke schouwspel, dat reeds bij den opgang der zon eenen aanvang zoude nemen. Nimmer zal ik de pracht vergeten, — eene pracht geheel eigen aan de keerkringsgewesten, — waarmede het daglicht, om zoo te spreken, op eens te voorschijn sprong. Schitterende stralen verspreidden zich over de zee, die op dit oogenblik zoo glad was als een spiegel, verguldden ecnige ligte wolkjes, welke zich hier en daar aan den hemel vertoonden, en toen, — “Flattering the mountain-tops with sovereign eye” [“Der bergen top met eenen heerschersblik streelende] openbaarden zij de heerlijke kleurschakeringen van het plantenkleed, dat de aarde bedekte.