Sinds 1946 worden elk jaar insectenplagen op bomen en struiken in bossen, landschappelijke beplantingen en stedelijk gebied geregistreerd. Dit gebeurt door Alterra samen met een netwerk van vrijwillige waarnemers, vooral groenbeheerders. Deze monitoring wordt uitgevoerd om vragen vanuit beleid en beheer te kunnen beantwoorden. Zo worden de jaarlijkse gegevens gebruikt om de Commissie Plantenziekten en Plagen van Het Bosschap te adviseren over het beleid ten aanzien van eventuele beheersmaatregelen en verordeningen voor inheemse plagen of invasieve insectensoorten. Daarnaast kunnen de waarnemers helpen om schadelijke exoten snel op te sporen. Het is dan misschien nog mogelijk om schade te voorkomen of te beperken. Verder worden de lange tijdreeksen gebruikt voor onderzoek naar de relaties tussen plagen enerzijds en bosbeheer en klimaatverandering anderzijds. Sinds 1946 zijn meer dan 35.000 records van insectenplagen verzameld. In dit artikel wordt een analyse van deze data gegeven, die beperkt is tot de 98 meest gemelde soorten waarvan 22 soorten die incidenteel voorkwamen zijn uitgesloten van de analyse. Van de resterende 76 soorten, waren er 18 gedurende de gehele observatieperiode van 61 jaar min of meer constant aanwezig. Van de andere soorten vertoonden 27 een daling en lieten 31 soorten een stijging zien. Afnemende populaties kwamen vooral voor bij naaldbomen, terwijl toenemende populaties vooral bij loofbomen voorkwamen. Veranderingen in bosbeheer en bossamenstelling konden worden geïdentificeerd als de belangrijkste oorzaken voor de verschuivingen in de populaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor de grote dennensnuitkever Hylobius abietis en de populierenglasvlinder Paranthrene tabaniformis. Daarnaast is het binnenkomen van vele invasieve exoten (zoals de paardenkastanjemineermot Cameraria ohridella) geregistreerd. De exotische soorten hydrangeadopluis Eupulvinaria hydrangeae en de koningsdopluis Pulvinaria regalis worden uitsluitend aangetroffen op bomen in steden, vermoedelijk in verband met de hogere temperaturen van de stedelijke habitat. In Nederland zijn de winters de laatste drie decennia relatief warmer en vochtiger geworden. Uit de literatuur blijkt dat entomopathogene nematoden, schimmels en bacteriën in dit soort winters langer actief zijn en meer sterfte kunnen veroorzaken bij in de grond overwinterende larven, poppen en adulten. De hoog en droog bovenin de boom overwinterende eitjes zijn hiervoor minder kwetsbaar. Uit onze analyse komen inderdaad sterke aanwijzingen voor een relatieve toename van ei-overwinteraars ten opzichte van insecten die overwinteren als larve, pop of adult. Klimaatverandering is dus een mogelijke oorzaak van de toename van ei-overwinteraars zoals de eikenprocessierups Thaumetopoea processionea en de kleine wintervlinder Operophtera brumata en de afname van een larve-overwinteraar zoals de bastaardsatijnrups Euproctis chrysorrhoea.


Additional Files
EB 81.jpg Cover Image , 427kb