Stoffen kunnen vast, vloeibaar of gasvormig zijn. Zo kan de stof H20 voorkomen als ijs (vast), water (vloeibaar) en waterdamp of stoom (gasvormig). De verschillende stoffen in hun verschillende toestanden noemt men fasen. Vloeibare en gasvormige fasen vat men samen tot fluïde fasen, als tegenstelling tot de vaste, de solide fasen. De homogene vaste fasen in de geologie zijn de mineralen. Gesteenten zijn mengsels van vaste fasen, van mineralen. Vloeibare fasen in de geologie zijn bv. magma, aardolie en water. Fasen hebben geen constante samenstelling. Zo kunnen mineralenvariaties vertonen in hun samenstelling (bv. meer of minder ijzer en magnesium in olivijn), en in water kan zoals bekend meer of minder zout opgelost zijn. In de natuur komen mineralen voor als willekeurig gevormde korrels in aggregaten (bv. de meeste mineralen in gesteenten), of als prachtige kristallen met wetmatige geometrische vormen die begrensd worden door perfecte gladde vlakken. De opmerkelijke vorm van deze kristallen drukt twee eigenschappen uit. Enerzijds geeft de kristalvorm weer, dat de samenstellende atomen van het mineraal ordelijk gerangschikt zijn in een kristalrooster. Anderzijds is de fraaie kristalvorm pas mogelijk als het mineraal onbelemmerd kan groeien in een fluïde milieu, gasvormig of vloeibaar, waarin de ontwikkeling van de vlakken niet door andere groeiende korrels gestoord wordt. Gasvormige en vloeibare getuigen van dit milieu worden tijdens de groei van de kristallen vaak ingesloten: dit noemt men fluïde insluitsels.

microthermometrie, insnoering, microspectrometrie, mineralogie, polarisatiemicroscoop, dochtermineralen
GEA

Copyright: GEA/auteur

Stichting Geologische Aktiviteiten

J.L.R. Touret, & E.A.J. Burke. (1988). Fluïde fasen in mineralen: gas en vloeistof als insluitsels in kristallen. GEA, 21(3), 61–70.