Op de zeebodem komt sediment tot bezinking. Over het algemeen geldt, dat zandige afzettingen in shelfzeeën (ondiepe zeeën voor de kust) terechtkomen; kalkige afzettingen komen vaak in een vrij vlak drempelgebied voor, terwijl kleiige afzettingen doorgaans in vrij diepe delen van een zeebekken worden gevonden. De oorspronkelijke kleien van de Hunsrück-leisteen bevatten als voornaamste bestanddelen kleimineralen (zeer fijnkorrelige, glimmerachtige componenten) en kwarts; verder o.a. nog wat chloriet, muskoviet en organisch materiaal. Door druk van het steeds dikker wordende sedimentpakket werd het water tussen de mineraalkorrels voor een belangrijk deel uitgedreven. Dit proces heet inklinken en leidt tot diagenese, waarbij de slappe klei zal zijn overgegaan in een vastere vorm, bv. een kleisteen of schalie. Het gesteentevolume is dan tot c a. 1/5 van de oorspronkelijke omvang teruggebracht. De mineraalkorrels in het gesteente passen zich intussen aan de veranderende omstandigheden aan

Onder-Emsien, leisplijting, kleimineralen, Plattenkalk, Plattenstein, leisteengroeve, tweekleppigen, brachiopoden, diagenese, Variscische gebergtevorming, leivorming
GEA

Copyright: GEA/auteur

Themanummer Bundenbach
Stichting Geologische Aktiviteiten

W.H. Südkamp, & J. Stemvers-van Bemmel. (1989). De Hunsrückschiefer. GEA, 22(1), 7–9.