Voor de zoektocht naar de evolutie van eencellige organismen in zee tot de gewervelde dieren (Reumers specialisme, red.) en daarmee ook de ontwikkeling van ons eigen bestaan, zijn fossielen het gereedschap bij uitstek. Ze worden in ons land natuurlijk al eeuwenlang gevonden. Al in de 16e en 17e eeuw werden hier de onvermijdelijke mammoetresten gevonden, enorme beenderen waarvan men maar niet kon thuisbrengen van welk imposant dier die afkomstig moesten zijn. In die tijd waren olifanten een nog onbekend fenomeen onder het gewone volk, en de enige zinvolle verklaring voor de vondst van zulke grote beenderen was de vroegere aanwezigheid van reuzen. Dat loste meteen een ander probleem ook op, namelijk de vraag hoe in hemelsnaam die gigantische steenhopen in Drenthe waren ontstaan. De hunebedden waren natuurlijk gemaakt door de reuzen waarvan de beenderen nog altijd gevonden kunnen worden! Het was een gelijktijdige oplossing voor twee problemen, en dus van een eenvoud die wij tegenwoordig in ons jargon most parsimonious zouden noemen.

vertebraten, paleontologie, onderzoeksprojecten, eencellige organismen, Teylers Museum
GEA

Copyright: GEA/auteur

Inaugurale rede R.U. Utrecht
Stichting Geologische Aktiviteiten

J. Reumer. (2007). De mens, het fossiel, het vak en de wereld. GEA, 40(1), 8–13.