Toen Minko en ik ’s morgens om 8 uur de eerste kievit onder het net vandaan haalden, waren we al enkele uurtjes in de weer geweest. We reden om half 6 vanuit Roden via de A7 richting Drachten en hielden ons eerst vooral bezig met het weer. De afgelopen dagen beloofden meerdere weerstations redelijk goed weer, maar vanmorgen had het K.N.M.I. zijn verwachting bijgesteld en werd in de loop van de ochtend ook voor het noorden lichte regen voorspeld. De lucht begon al aardig dicht te trekken en we vroegen ons af of we niet de afslag Boerakker moesten nemen en het net in Zuid – West Groningen moesten uitleggen. Maar dan zouden we vrijwel zeker geen wilster en kemphaan kunnen ringen en daar hadden we toch wel een beetje op gehoopt vandaag. We reden door en zagen vóór Heerenveen al wolken kieviten omhoog komen. Ook vanaf Bolsward richting Koudum zaten er veel in het land, zelfs op de berm van de weg fourageerden enkelen. Om kwart voor 7 reden we bij Sikke Venema het erf op. Het is vaste prik dat we ons daar even melden. Sikke was zoals altijd in de melkstal bezig en bevestigde wat we al hadden vastgesteld,: “Dêr binne wol fûgels yn ’e mar.” ** Nadat we gehoord hadden dat hij er goed vanaf gekomen was met een ongelukje met hete cartervloeistof, reden we “de mar” in en na enig overleg legden we het net uit in het hart van de Heanmar. Een daalders plekje, midden in de wereld met op de achtergrond de oude stelp van Sikke. Zoals gezegd er waren wel vogels*** en rond acht uur kwam er uit het westen een kievit prachtig laag aanzeilen en konden we hem in het levenkistje bergen en even later ringen. Voor half negen kwamen daar nog een goudplevier en een kemphaan bij. We waren blij dat we de afslag naar Boerakker niet genomen hadden. Helaas kreeg het K.N.M.I. snel gelijk, al “smeet het geen water op” zoals in boerenkringen vaak gezegd wordt als het wat miezerig weer is. Om 9 uur werden we verrast met een kort bezoek van de plaatselijke beheerder van het Staatsbosbeheer, die ons even monsterde en al spoedig weer vertrok, nadat hij ons succes had gewenst. Hij begreep wel dat we geen clandestiene vangers waren. Inmiddels had ik mijn “wilstermaatje” uit Makkum gewaarschuwd, die tegen half 10 op de scooter arriveerde. Bauke Kuipers kwam niet met lege handen, hij bracht een zelfgemaakte stelt (lokvogel) mee, nl. een meeuw en in dit geval leek het een echte zwartkopmeeuw. Hij heeft er ook voor gezorgd, dat er een aantal scholeksters en kemphanen bij het net staan opgesteld, zodat we met enig geluk soms een aardig tableau bij elkaar sprokkelen. Inmiddels hadden we onze veren lokvogels verwisseld voor Italiaanse plastic soortgenoten, want we waren niet van plan om meteen de boel weer in te pakken toen het licht ging regenen. Het betekende wel dat de omstandigheden om redelijk wat vogels onder het net te krijgen er niet beter op werden. Minko was echter op alles voorbereid en haalde een niet te grote parasol uit de auto en bond die vast aan de achterste stok van het windscherm, even later gevolgd door een forse paraplu, die aan de voorste stok van de “skûle” werd bevestigd. Nu kon ik droog de geringde vogels inboeken, Minko kon zonder regenkleren de vogelbewegingen op afstand volgen en Bauke op gepaste wijze zijn wilsterfluit laten horen als dat nodig was. Ondanks het wat tegenzittende weer, lieten de vogels zich geregeld horen en zien, en al sprokkelend ringden we voor de middag een 10 tal vogels. Een kleine oogst als je weet dat er rondom grote groepen kieviten en kleinere aantallen kemphanen en goudplevieren in het land zitten. Maar omdat we ze “per stuk” moesten vangen, kwamen we toch regelmatig in actie.