Op 4 mei 1987 werden door Kim Groenendijk in de Belvédère-groeve te Maastricht de eerste botten ontdekt van wat later een fossiele steppeneushoorn bleek te zijn. De botten lagen in anatomisch verband en konden deels geborgen worden. De resten van de neushoorn lagen ca. 10 m diep in fijnkorrelige fluviatiele sedimenten met een ouderdom van een kwart miljoen jaar. Bij een noodopgraving werden in totaal 85 botten en kiezen geborgen.