Verschillen in gemiddelde soortenrijkdom aan roofvogels tussen de Noordkust, Eemsmond en Dollard zijn er in de maanden dat de meeste soorten het talrijkst zijn; dat is in het najaar (september, oktober). Aan de Dollard is de soortenrijkdom het hoogst. Verschil in gemiddelde dichtheid van de 5 talrijkste soorten tezamen tussen de kustgebieden is er alleen in september, De hoogste 'totale' dichtheid wordt aan de Dollard bereikt . Van de afzonderlijke soorten bereiken de bruine kiekendief en buizerd aan de Dollard de hoogste gemiddelde dichtheden, de velduil aan de Noordkust en Eemshaven, de torenvalk en blauwe kiekendief aan de Eemsmond (Eemshaveneffekt). De maanden waarin deze dichtheidsverschillen signifikant zijn verschillen per soort en zijn, m.u.v. buizerd en bruine kiekendief, beperkt tot een enkele maand per jaar. Gezien over de januari-maanden van 1977 t/m '88 is de buizerd de enige soort waarbij sprake lijkt te zijn van een toename. 's Winters zijn de velduil en blauwe kiekendief in Groningen aan de kust relatief het talrijkst. Ook de ruigpootbuizerd vertoont 's winters een voorkeur voor het kustgebied maar komt in veel lagere aantallen voor dan de 2 genoemde soorten. Door het, min of meer gedwongen, gebruik van de dichtheidsmaat per strekkende kilometers kust zijn de roofvogeldichtheden en -soortenrijkdom moeilijk vergelijkbaar met die van andere gebieden in de provincie of de rest van het land. Daardoor valt er weinig te zeggen over de betekenis van de Groningse kust voor doortrekkende en overwinterende roofvogels en velduilen. Torenvalk, bruine en blauwe kiekendief, buizerd en velduil zijn aan de kust de talrijkste 'roofvogels'. Tot slot wil ik Kees van Scharenburg, Berend Voslamber en Wim Weyman bedanken voor hun opmerkingen.