Op 24 mei jl. tegen tienen ging de deurbel. Twee vroege vogels op de stoep: Aaldrik Pot en Richard Zeldenrust met de mededeling dat ze net een Kwak hadden waargenomen in het Tuikwerderrak. Hij poseerde prachtig op een dikke tak in de zon. In eerste instantie werd er gedacht aan een Woudaapje, maar verwarring was uitgesloten. Een mooi gekleurd reigertje met een korte hals en twee prachtige lange sierveren die vanaf de kop bijna over de volle lengte van zijn rug vielen. De geheimzinnige vogel zat ons aan te kijken alsof ie wilde zeggen: “Waarom hebben jullie mijn soortgenoten vroeger zo naar het leven gestaan, met als gevolg dat ik nu bijna als een curiositeit te boek sta?” Uit de periode 1200 tot 1500 zijn er wat cijfers bewaard gebleven van hoe de natuur er in onze lage landen toen uitzag. Een waar paradijs voor al die soorten dieren en vogels die nu zeldzaam zijn geworden of helemaal uit ons land zijn verdwenen. Het gaat bijvoorbeeld om otters, bevers, Ooievaars, Lepelaars, Purperreigers, Zilverreigers, Roerdompen, Kwakken en Woudaapjes. Dat de toen aanwezige aantallen individuen van bovengenoemde soorten enorm moeten zijn geweest, blijkt bijvoorbeeld uit een notitie over het Goudsche Bosch, dat lag ten westen van Gouda. Er werden uit dat bos, in het jaar 1357 voor consumptie 564 Reigers en 2000 jonge Kwakken verkocht. Een paar honderd jaar later werd het, althans op papier, verboden eieren uit nesten te roven van ’Reygers, Quacken, Lepelaars en Scholfers’. (Jonge vogels brachten natuurlijk meer geld op!)