In de levenscyclus van de in arctisch Siberië broedende Rotganzen Branta b. bernicla speelt het Waddengebied een belangrijke rol. In de herfst, wanneer de vogels uit het broedgebied terugkeren, vormen klein zeegras Zostera noltii en wieren Enteromorpha spp. het voorkeursvoedsel. Veel Rotganzen trekken via het Waddengebied dan ook snel door naar de kusten van Zuid en Oost Engeland en West Frankrijk waar uitgestrekte zeegrasvelden te vinden zijn. In de loop van de winter wordt er meer en meer op grassen gefoerageerd, zowel buitenals binnendijks. Vanaf eind februari trekken de Rotganzen massaal terug naar het Waddengebied. In mei is meer dan 90% van de wereldpopulatie te vinden op de kwelders tussen Den Helder en het Deense Esbjerg. De jonge sprietjes van een aantal kwelderplanten (rood zwenkgras Festuca rubra, gewoon kweldergras Puccinellia maritima, zeeweegbree Plantago maritima en schorrezoutgras Trichlogin maritima) vormen in deze tijd een hoogwaardige voedselbron voor de ganzen. De lange dagen in mei en de hoge voedselkwaliteit maken het de ganzen mogelijk reserves aan te leggen. Deze reserves zijn nodig voor de vier- tot zesduizend kilometer lange trek naar het broedgebied, de produktie van de eieren en gedeeltelijk ook voor het broeden zelf. Het merken van de vogels met afleesbare kleurringen en het feit dat de jonge ganzen in de eerste winter met hun ouders in familieverband leven maakten het mogelijk in West-Europa het broedsucces van individuele ganzen te bepalen. Zo kon worden aangetoond dat vrouwelijke Rotganzen die vlak voor vertrek naar het broedgebied (eind mei) relatief zwaar zijn meer kans hebben om in de herfst met de jongen terug te keren dan vrouwtjes met een laag gewicht (Ebbinge & Spaans 1992). De aanleg van voldoende reserves op de kwelders in het Waddengebied lijkt een voorwaarde te zijn voor succesvol broeden in het hoge noorden.