Bij de opgave der namen en groeiplaatsen van Equiseta, Varens, Blad- en Levermossen, voorkomende in de omstreken van Amsterdam, heb ik mij veroorloofd eenige uitbreiding te geven aan het gebied van de Flora der hoofdstad. Hare grenzen toch, zoo als men die vroeger bepaald had, schenen mij toe te eng genomen te zijn. Wanneer men Amsterdam als middelpunt beschouwt, dan zoude als noordelijke grens kunnen gesteld worden de regte lijn, getrokken tusschen de steden Zaandam en Monnikendam; als oostelijke de Zuiderzee tot Muiderberg en verder langs Naarden, met buitensluiting der zand en heidegronden; als zuidelijke grens de provincie Utrecht en als westelijke de regte lijn van af Halfweg, getrokken door den Haarlemmermeerpolder tot Aalsmeer. Wanneer men op zoodanige wijze het gebied der Flora vaststelt, zoo bestaat de bodem, die vlak is, uit zilte en min of meer brakke gronden klei, doch meestal veen en eenige rivierklei aan de zuidelijke grenzen. Menigvuldige veranderingen hebben op dien bodem plaats gegrepen. Veenplassen, waaronder vooral in aanmerking komt het Haarlemmermeer, zijn drooggemalen en in vruchtbare landsdouwen herschapen, spoorwegen zijn aangelegd, buitenplaatsen gesloopt, dijken verzwaard, enz. Door al deze werken is wel is waar menige plant door den mensch uitgeroeid, maar de bodem, die als verjongd ten voorschijn kwam, werd hier en daar geschikt om planten voort te brengen, die voor deze Flora zeldzaam, sommigen zelfs voor ons land nieuw waren. Deze echter verdwenen alras, om door hoogere plantenvormen vervangen te worden. De steenen en palen, die de oevers van het Haarlemmermeer beschermden, werden tijdens de droogmaking van den bodem opgeruimd, waardoor tevens het substraat verdween, waarop zoo menige zeldzame soort dezer omstreken bare woonplaats bad gevestigd. Hetzelfde lot dreigt de mossen, die op dergelijke plaatsen langs den oever van het Legmeer worden aangetroffen. Het zand, dat van duin en heide werd aangeveerd tot den aanleg van spoorwegen, bevatte de kiemen en sporen van planton, die overigens aan deze Flora vreemd zijn, en langzamerhand wederom blijken te verdwijnen. Vele planten derhalve, die niet meer in deze Flora zullen teruggevonden worden, belmoren reeds tot hare geschiedenis. Dat verschillende streken onvolkomen of in het geheel nog niet botanisch bezocht zijn, zal uit deze lijst genoegzaam kunnen blijken. Mogten anderen het onderzoek van deze en der lagere familiën voortzetten, opdat uit vereenigde waarnemingen de Flora meer en meer gekend worde in haar gebeden omvang.