In het jaarverslag van de North Sea Bird Club (’Report for 1986’) wordt melding gemaakt van een buitengewoon diep duikende Alk. In een brief verhaalt J.A.Jury van een waarneming vanuit een ’Perry submersible PC1805’ in het Brent veld (61°00’N, 01°40’E) op 130 en later op 140 meter diepte. Op 11 februari 1986 werd een zwemmende zeevogel gezien. Spoedig bleek het om een Alk te gaan die vooral verbazing teweegbracht omdat het niet ging om een bliksembezoek op deze diepte maar klaarblijkelijk om een normaal uitstapje. De vogel zwom rustig rond en benaderde de ramen van de capsule tot op een meter afstand, waarschijnlijk aangetrokken door de sterke lampen. Op de Seabird Group Conference in Uttoxeter in 1982 werd melding gemaakt van een duikdiepte van 180 m voor de Zeekoet. Ook waren herhaaldelijk Zeekoeten op 120m diepte uit netten gehaald. In deze gevallen ging het om in netten verdronken vogels die theoretisch ook tijdens het binnenhalen van de netten verstrikt kunnen zijn geraakt. Deze waarneming is uniek in zijn soort en toont onomstotelijk aan dat alkachtigen inderdaad dergelijke diepten binnen hun macht hebben. In Cramp (1985; Birds of the Western Palearctic IV) wordt voor de Alk een maximale diepte van ’5-7, misschien 10m’ opgegeven. De Zeekoet zou volgens deze bron 30-55m diep water bereiken. Anderson, A. 1988. Deep-diving auk; Razorbill at 140 metres. In: Anderson, A. (ed) 1988. The North Sea Bird Club, Seventh Annual Report, p54, Aberdeen.