Veel van de in de Noordzee overwinterende zeeëenden en duikers en de meeste hier doortrekkende Dwergmeeuwen broeden ver ten (noord-)oosten van ons land, in gebieden waarvan tot voor kort vrijwel geen informatie te krijgen was. Nu de politieke situatie drastisch is gewijzigd, dringen langzaam maar zeker steeds meer berichten door over de vogelrijkdom in de Baltische Staten en de verschillende naties die vroeger tezamen de Sowjet Unie vormden. Zeker bij de Polen, de Esten, de Letten en de Litouwers bestaat de behoefte tot contact met westerse landen en daarom zijn veel van de publicaties die tegenwoordig in deze landen verschijnen niet slechts in de landstaal met een Russische samenvatting gesteld, maar ook voorzien van Engelse samenvattingen. Zo is ook ’De broedvogelatlas van Letland’ drietalig. Het boek presenteert de resultaten van inventarisaties in het begin van de jaren 80. Voor ons interessante broedvogels zijn: Parelduiker (8-10 paar), alle futen (op het Enguremeer 100 paar Roodhalsfuut, 500 paar Fuut, 100 paar Kuifduiker), Stormmeeuw (450-550 paar), Zilvermeeuw (550-600 paar), Kokmeeuw (80.000-85.000 paar, 110.000 paar in 1986), Dwergmeeuw (350-500 paar, maar populatie sterk fluctuerend: in 1986 700 paar in heel Letland en in 1987 zelf een kolonie van liefst 2000 paar), Witvleugelstern (onregelmatige broedvogel, niet gevonden in de onderzoeksperiode, maar 200 paar in een kolonie Zwarte Sterns in 1986 en 30-50 paar aldaar in 1987), Zwarte Stem (700-900 paar gedurende 1980-84, 1000-1500 paar in de jaren 70, 2000 paar in 1986 waarvan 1000 in één kolonie, 1500-2000 paar in dezelfde kolonie in 1987), Visdief (1500-2000 paar), Noordse Stem (60-70 paar) en Dwergstern (250- 300 paar). Aalscholver, de beide zeeëenden, IJseend, Kleine Mantelmeeuw en Grote Stem komen in Letland voor maar broeden er (nog) niet. Het boek is uitgevoerd op dezelfde manier als de meeste Europese vogelatlassen, met stippen in 10x10 km hokken (701 hokken bezocht). De soortnamen worden in het Lets (uiteraard), Latijn, Russisch, Engels, Duits, Zweeds, Ests en Litouws vermeld en naast de kaartjes (zwart met groene stippen) is een aantrekkelijke pentekening van de soort opgenomen. De tekst is vanwege de drietalige aanpak sober, maar informatief. In de inleidende hoofdstukken worden landschappen, klimaat en de gevolgde methode beschreven.