Eenjarige of overblijvende, weinig of geen chlorophyl bevattende, parasitaire kruiden. Stengelbasis en wortels (indien aanwezig) met haustoriën. Bladen schubvormig, zonder steunblaadjes, verspreid of zelden tegenoverstaand. Bloemen tweeslachtig, meestal duidelijk, soms onduidelijk zygomorf, afzonderlijk in de oksels van schutbladen, tot een eindelingse enkelvoudige of vertakte aar of tros, soms tot een scherm verenigd, zelden alleenstaand. Steelblaadjes ontbrekend of aanwezig en dan meestal gedeeltelijk met de kelk vergroeid. Kelk òf vergroeidbladig, 2—5-tandig, òf uit 2 zijdelingse, ongedeelde of 2-tandige, aan de voorzijde vaak met elkaar vergroeide helften òf uit 2—3 losse bladen bestaand. Bloemkroon vergroeidbladig, duidelijk of onduidelijk 2-lippig, met ongedeelde of 2-lobbige bovenlip en 3-lobbige onderlip. Meeldraden 4, tweemachtig, op de bloemkroon ingeplant; helmknoppen vrij of paarsgewijs met elkaar samenhangend, met overlangse spleten openspringend. Vruchtbeginsel bovenstandig, 2(—3)-bladig, 1-hokkig, in enkele gevallen 2-hokkig, met 2—4(—6) wandstandige placenta’s. Zaadknoppen meestal talrijk, anatroop. Stijl 1, met een meestal 2—4-lobbige stempel. Vrucht een loculicide doosvrucht. Zaden zeer klein, met vlezig, oliehoudend endosperm en een zeer klein embryo. 14 geslachten met ca. 160 soorten, vooral in de gematigde en subtropische streken; slechts weinige in de tropen. De meeste soorten op het noordelijk halfrond, vooral in de oude wereld, enkele soorten op het zuidelijk halfrond (oorspronkelijk alleen in Z.-Amerika).
| Additional Metadata | |
|---|---|
| Flora Neerlandica | |
| CC BY 3.0 NL ("Naamsvermelding") | |
| Organisation | Koninklijke Nederlandse Botanische Vereniging |
|
J. van der Land. (1966). 101. Orobanchaceae. Flora Neerlandica, 4(2), 187–205. |
|