Op dinsdag 3 september 1991 bezocht ik, samen met mijn collega-boswachter J. Heijmans, een aantal locaties op de Meinweg, om de aldaar voorkomende flora te bekijken. Op een van deze locaties vonden we een adult mannetje van de sabelsprinkhaan Phaneroptera falcata. We bezochten een laagte die er op het eerste gezicht floristisch gezien niet zo interessant uitzag. De vegetatie bestond voor vrijwel 100% uit Pijpestrootje ( Molinia caerulea) dat door de schapen tot op de pol was afgegraasd. Plaatselijk stonden er nog wat polletjes Dophei (Erica tetralix), zegges ( Carex spec.) en in een aangrenzende sloot vonden we wat pollen Beenbreek (Narthecium ossifragum). De laagte loopt aan beide zijden sterk geaccidenteerd omhoog naar een zoom van Adelaarsvaren ( Pteridium aquilinum), geflankeerd door verspreidstaande vuilboombosjes ( (Rhamnus frangula) van ongeveer 2,5 tot 3 meter hoog. Aan de pollen Pijpestrootje was te zien dat in de laagte water moet hebben gestaan. Tijdens dit bezoek stond de hele laagte droog. Mijn collega maakte mij attent op een groene sprinkhaan die tussen de pollen op de grond zat Mijn eerste gedachte ging uit naar een Grote groene sabelsprinkhaan ( Tettigonia viridissima). Het diertje was hiervoor echter veel te slank en te klein. Bij het naderen vloog het direct op naar een dertig meter verderop gelegen vuilboombosje waar het op ongeveer twee meter hoogte in de bladeren verdween. Na een aantal vergeefse pogingen lukte het mij het diertje te vangen. Het was een voor mij totaal onbekende sabelsprinkhaan. Pas later die dag, eenmaal terug op kantoor, kon ik de sprinkhaan met behulp van een determinatiewerk op naam brengen. Het kon niets anders zijn dan een adult mannetje van Phaneroptera falcata.