Herhaaldelijk is door mij, in dit Album, de vraag ter sprake gebragt, of dieren van tijd tot tijd blijken geven van overleg bij hunne handelingen, en hoewel die vraag in het algemeen toestemmend is beantwoord geworden, zoo is tevens uit vele vroeger medegedeelde voorbeelden gebleken, dat men zeer behoedzaam moet zijn om in bepaalde gevallen eene handeling op rekening van het verstand te stellen, die welligt slechts als eene uiting van het instinkt of als het gevolg van een bloot toeval moet beschouwd worden. Menigeen is in de gelegenheid in zijne onmiddellijke omgeving handelingen van dieren gade te slaan, die tot nadere oplossing van dit vraagstuk kunnen strekken, en het ware wenschelijk, dat aan waarnemingen van dien aard meerdere openbaarheid werd gegeven dan doorgaans het geval is. Het is daarom, dat ik onderstaand gedeelte uit eenen brief van den heer T. A. F. VAN DER VALK, gedagteekend: Soerakarta 14 Julij 1863, aan onze lezers mededeel, al schijnt mij het geval zelf niet zoozeer boven alle bedenking verheven, dat ik met de daaruit door den geëerden briefschrijver afgeleide gevolgtrekking geheel kan instemmen. „....Een duif, tot do gewone soort behoorende, kreeg voor eenigen tijd twee jongen. Toen deze beestjes zoo groot waren, dat ze uit het nest konden kruipen en rondloopen op het plat, dat zich voor het hok bevindt, vielen ze daar af op een steenachtigen grond, met dat gevolg dat ze beiden dood waren, hoewel dit plat, slechts uit weinige ruwe planken bestaande, niet meer dan zes voet hoog is boven den begauen grond. Kort daarna legde dezelfde duif weer eijeren, waarvan echter maar één uitkwam. Dit jong trof hetzelfde ongeluk. Het viel weer dood. Op nieuw legde nu do duif twee eijeren, waarvan er ook ditmaal slechts één uitkwam. Toen er nu ongeveer veertien dagen waren verloopen, en men dit jong geheel niet meer voor den dag zag komen, onderzocht men, wat daarvan de reden was. En wat bevond men? De moeder had voorzorgen genomen om te verhoeden, dat zij andermaal kinderloos zou worden. Zij had de beide pootjes van het jonge dier, doch ieder afzonderlijk, zoodanig omwonden met allerlei draden, touwtjes, vezels van bamboe, alang-alang en andere plantaardige stoffen, dat het voor het diertje volkomen onmogelijk was te gaan. Men moest met een schaar die windsels losknippen, daar er zelfs knoopen in waren, waarvan men zich verwonderen moest, hoe de duif die daarin had kunnen aanbrengen. Het diertje kon ook, na van die banden bevrijd te zijn, nog niet gaan, doordien zijne pootjes niet alleen stijf, maar ook krom en eenigzins misvormd waren. De knaap, die dit het eerst waarnam en aan zijne moeder mededeelde, riep uit: «Mama! Wat «is die duif verstandig, nu moet u eens komen zien!” En wat mij betreft, ik weet geene andere qualificatie voor die handeling. Klaarblijkelijk toch wijst zij niet alleen op de werking van het geheugen, maar ook op een combineren van eenige voorstellingen of denkbeelden en dus op nadenken.”....