Onlangs kwam in Duitschland een geval voor, dat iemand op eene quitantie tweemaal uit het cijfer 1 het cijfer 4 had gemaakt. Toen de persoon, ten wiens nadeele dit bedrog was gepleegd, zulks ontdekte en de zaak voor het geregt bragt, werd aan een aantal schriftgeleerden, d. i. schrijfmeesters, steendrukkers, schrijvers enz. de taak opgedragen om het al of niet bestaan der vervalsching uit te maken, doch te vergeefs. De inkt was overal gelijkmatig zwart, eh van eenen verschillenden druk met de pen was ook niets te bespeuren. De heer VORWERK onderzocht nu de zaak langs den scheikundigen weg en wel op de volgende wijze: