Voor de waarheid van het volgende kan ik instaan. Een jonge duif, die hare ouders verloren had, werd zorgvuldig opgekweekt. Het diertje werd buitengewoon mak en vertrouwd met al do huisgenooten. Het was een wijfje, dat door een eigendommelijk gevederte gemakkelijk herkenbaar was. Toen het volwassen was, werd een mannelijke duif aangekocht en beiden in een hok geplaatst, waaruit zij uitvlogen en waarheen zij’s avonds terugkeerden. Zij waren het eenige paar duiven, dat gehouden werd. Na eenige weken, — het was in September 1864, — waren zij echter verdwenen. Vermoedelijk had een ander duivenhouder hen gelokt en opgevangen. Men zag hen sedert dien tijd niet weder. Bijna twee jaren later echter, namelijk den 20sten Augustus 1866, zagen eenige huisgenooten, in den tuin wandelende, beide duiven op een naburig dak. Zoodra het wijfje zijne oude bekenden ontwaarde, vloog het naar beneden en volgde hen in de kamer, waar het vroeger gewoon was uit de hand zijn eten te ontvangen en toonde zich nog even mak en onbevreesd als vroeger.