De hongersnood, welke in den winter 1867—1868 in Oost-Pruissen, Finland en elders in het noorden van Europa zooveel ramp berokkende, heeft de zonderlinge wedersgesteldheid van de tweede helft van Mei 1867 in herinnering gebragt, omdat velen dien hongersnood toeschrijven aan het mislukken, voor een zeer groot gedeelte, van het hoofdgraan van Noord-Eurapa, de rogge, welke in haar bloeitijd, Mei, geen vorst verdragen kan. Zoowel in Nederland als elders in het noorden van Europa was de tweede helft van Mei in genoemd jaar zoo winterachtig, dat de herinnering daaraan verdient bewaard te blijven. In Oost-Pruissen was het kwaad buiten twijfel verergerd door vele regens en door overstroomingen van de Weichsel, juist in den oogsttijd van 1867; maar de hoofdoorzaak zoeken wij ook hier in de ongunstige wedersgesteldheid tijdens het bloeijen der rogge. Dat bevriezen der rogge geschiedt niet zelden. Ik herinner mij in twee verschillende jaren het te Zuidlaren en elders in Drenthe gezien te hebben, dat de rogge in zijnen bloei in de maand Mei, door vorst getroffen, afgemaaid moest worden en dit gebeurt ook elders; onder anderen in Duitschland niet zelden. Opmerkelijk was echter het geval, dat vermeld is in de Agronomische Zeitung, Sept. 1866, van een landbouwer in Oost-Pruissen, wien ten gevolge van strenge nachtvorsten in het laatst van Mei van dat jaar de bloeijende aren der rogge zoo volkomen waren afgestorven, dat de halmen afgemaaid werden en van 40 morgens (elk groot ¼ bunder) 36 voer hooi opleverden; doch door opvolgend gunstig weder liepen do roggeplanten weder uit en stonden in den aanvang van September 1866 digt gesloten op het veld met lange wèl ontwikkelde aren. In Mei 1867 hebben, behalve de rogge enz., ook de boomen veel van de vorst geleden, onder andoren op de hooge gronden bij Groesbeek (Gelderland), waar van de gewone fijne spar vele jonge takken dood vroren, doch, wat opmerkelijk was, de uitgeloopen middelste of hoofdknop meest bewaard bleef; voorts eiken, tamme kastanjes; de bloesems der vruchtboomen enz. Uitgebreide roggevelden in het oosten van ons land hebben door nachtvorst in de tweede helft van Mei 1867 zoo veel geleden, dat zij geene of bijna geen opbrengst gegeven hebben. In de provincie Groningen, waar de nachtvorst slechts op enkele plaatsen de rogge benadeeld heeft, was de opbrengst in 1867 nog geen 15 mudden van het bunder, terwijl zij van 1856 tot 1866 door elkander steeds ongeveer 20 mudden van het bunder beliep. Hier dus ¼ verlies en dat over ruim 11000 bunders roggeland! Elders was dit nadeel echter veel grooter, onder anderen in Drenthe, hetwelk ik echter op dit oogenblik nog niet met cijfers aantoonen kan. Voorts in Gelderland, waar, onder Didam, Beek en Wehl, de rogge, ten gevolge van nachtvorst in den bloeitijd, gedeeltelijk groen is afgemaaid en gedeeltelijk gedroogd, waarna weder boekweit is ingezaaid; terwijl op vele plaatsen, waar men ze liet staan, niet veel moor dan het zaaikoren is geoogst. Onder Gorssel achtten eenigen de rogge het dorschen niet waard en alleen geschikt om vervoederd te worden. ( Mededeelingen der Geldersche Maatschappij van Landbouw, 1868, I, bl. 41).