Nog steeds houdt bij velen de meening stand, dat de maan eenen invloed heeft op het weder, in weerwil dat het door de meteorologen reeds lang met volkomen zekerheid is uitgemaakt, dat die invloed niet bestaat. Sommige natuurkundigen, ARAGO, HERSCHEL, hebben het er echter nog voor gehouden, dat de maan, bepaaldelijk de volle maan, door verwarming, van de bovenste lagen des dampkrings, de bewolking der lucht vermindert. Dit heeft aan WILLIAM ELLIS aanleiding gegeven dit vraagstuk te toetsen aan de zevenjarige waarnemingen te Greenwich, gedurende welk tijdsbestek de staat van bewolking der lucht, dag en nacht, om de twee uren is opgeteekend met cijfers van 0 tot 10. Hij besluit uit zijn onderzoek, dat ook die vermeende invloed niet bestaat. De gemiddelde cijfers zijn voor nieuwe maan, eerste kwartier, volle maan en laatste kwartier nagenoeg volkomen gelijk. Zij bedragen namelijk 6,61,— 6,72,— 6,76 en 6,67. Het geringe bestaande verschil is veeleer in het voordeel van de nieuwe en in het nadeel van de volle maan. ELLIS is van oordeel, dat de oorzaak van het algemeene volksgeloof ten deele daarin moet worden gezocht, dat er in den regel gedurende de eerste avonduren eene vermindering der bewolking plaats grijpt, onverschillig of de maan boven den horizon is of niet. Die vermindering valt alleen meer in het oog, wanneer de maan zigtbaar is. ( Philos. Magaz., 1867, p. 61).