THORVALDUR THORODDSEN vond bij zijne reizen door IJsland nog eene tweede plaats ( Alb. der Natuur 1890 blz. 123), waar veel kalkspaatkristallen voorkwamen. In eene bergspleet bij Djupidalur aan den Djupilfjördur in westelijk Ijsland vond hij in tal van gangen en scheuren de duidelijke bewijzen , dat vulkanische krachten er in vroegeren tijd werkzaam waren geweest. Het gesteente, dat zich tusschen de gangen van basalt bevindt, is zelf fijn gespleten, terwijl de ruimten opgevuld zijn met verscheidene mineralen: kalkspaat, kwarts en zeoliethen. De banken van basalt in hun geheel bevinden zich niet meer in den oorspronkelijken stand en bovendien zijn hier en daar gedeelten uit hun verband gerukt. Langs de westeljjke kust van den fjord voortgaande, vond hij op zijne reis in 1886 vele kleine stukjes dubbelbrekend spaat aan het strand. Witte plekken aan de steile rotsen wekten het vermoeden, dat de stukjes daar hun oorsprong vonden; hij klauterde er heen, maar vond enkel gesteenten met amandelvormige ruimten, die met zeolithen en met kalk opgevuld waren. Evonwel bemerkte hij spoedig, hooger op, eene spleet, waardoor in het voorjaar een beek naar beneden stroomt; daar bevindt zich het kalkspaat, dat uit zee als eene witte streep, die over de rots loopt, duidelijk merkbaar is. De plek, waar de streep aan den oeverkant zichtbaar wordt, ligt ongeveer 100 M. boven den zeespiegel; de dikte der laag bedraagt 1 M. à 1.7 M. Het was THORODDSEN niet mogelijk verder te klimmen dan tot een hoogte van 150 M.; de rotswand was te steil. Hij verkreeg evenwel den indruk , dat de laag kalkspaat zich met eene afwisselende dikte nog verder voortzette.