Wie beweren mocht, dat er evenwicht in de natuur bestaat tusschen de krachten, die het leven van planten en dieren beheerschen en den vorm der aarde en haar gedaanteverwisselingen wijzigen en bepalen — hem zou ik willen antwoorden, dat hij nooit ernstig heeft nagedacht over hetgeen rondom hem is en gebeurt. Waarheen hij zjn oog wondt, overal zou hij beweging, vormverandering hebben opgemerkt, zoo hij slechts het geduld voor ernstige waarneming en rustig nadenken had. Wie zich zelf in rust waant, beweegt zich toch met de aarde rondom de zon in het planetenstelsel, waarvan onze aarde een deel uitmaakt, on vergeet dat ieder deeltje van zijn lichaam in rustelooze beweging deelneemt aan de stofwisseling van het geheel. Terwijl wij rustig neerzitten en een zachte slaap over onze oogen neerstrijkt, volbrengen de organen voor de spijsvertering, de ademhaling en den bloedsomloop hun arbeid onder den rusteloozen invloed van spier- en zenuwwerking. Zonder dat wij het weten en gevoelen, storten zich de voedingssappen, bij de spijsvertering ontstaan, in het bloed uit, dat door het lichaam stroomt en ieder weefsel drenkt en sterkt met de essence der voedingsvochten. En zonder dat wij het bemerken, zuivert datzelfde bloed, dat hier opbouwt en voedt, ginds ons lichaam van de afgewerkte weefselbestandeelen en geeft een verjongd aanzien aan het oude kleed, waarin wij leven en wonen. Geen oogenblik is aan te wijzen, waarop ons lichaam in volmaakte rust, den toestand van volkomen evenwicht nabij is. Noch tijdens het loven noch in den dood. Want zoodra hebben niet de organen hun arbeid geëindigd, of dezelfde krachten, die eens hun werkzaamheden regelden en onderhielden, werken samen om die organen af te breken en tot eenvoudiger vormen terug te brengen. Het organisch geheel verdwijnt en wordt gesloopt tot asch, die in den bodem of in de urne terugblijft, en tot gassen, die in de lucht in rustelooze vaart tot een nieuwe werkzaamheid geroepen worden.