In groote scharen gaan weer de menschen uit de lage landen van Europa op naar de hoogten, waar in Tirol en Zwitserland de korte Alpenzomer hun zijn glorie wil vertoonen in fonkelende sneeuwtoppen en bruisende watervallen, in schitterend gletscherijs en verren donder van lawinen, in torenhooge rotsen en ongepeilde afgronden, maar ook in schaduwrijke wouden, in weiden vol bloemen, in lachende landschappen en nooit gedroomde zonsopgangen. Ze duurt maar kort, die glorie van het Alpenland; dra winnen nevelen weer terrein en witte wolkenwaden weven zich om de hellingen en toppen; daarboven worden waterval en beek beteugeld door den bij de toenemende koude, in macht winnenden ijsvorst; tot lager dreunt lawinendonder en ’t lachend landschap met de bloemenweiden ligt grijs en eentonig neer, gezweept door regenvlagen, waar doorheên de herfstwind buldert, als hij in toomelooze vaart van de hoogten jaagt, dringend in spleten en kloven, en verraderlijk om hoeken en langs bochten de lage wolken drijvend, wier vochtige inhoud reeds den vorm van sneeuwkristallen gaat vertoonen.