Al vrij lang wordt het pluizen van braakballen als een geschikte methode gezien om de verspreiding van kleine zoogdieren te onderzoeken. In de jaren dertig is het braakbalonderzoek op gang gekomen en heeft in grote lijnen de kennis van de verspreiding van kleine zoogdieren in Nederland bepaald (Schreuder 1945, Van Wijngaarden et al 1971). Omdat de Kerkuil (Tyto alba) een veelzijdig menu heeft en de braakballen relatief gemakkelijk verzameld kunnen worden, is het onderzoek in West-Overijssel vooral op kerkuilbraakballen gebaseerd. Onderzoek door middel van braakballen is een minder tijdrovende bezigheid dan het uitzetten van vallen. Bovendien is het mogelijk meer soorten aan te treffen en zo kan ook numerieke informatie worden verzameld. Een nadeel is echter dat een prooidier niet altijd in de directe omgeving van de braakballenlokatie hoeft te zijn gevangen. Wanneer een soort echter herhaaldelijk en/of in groter aantal wordt aangetroffen kan hier echter wel vanuit worden gegaan. Hoewel er nog niet veel gegevens over de actieradius van een Kerkuil bekend zijn, is deze vermoedelijk niet zo groot. Door verschillende auteurs is het jachtgebied berekend op 15 km²; bij voldoende voedselaanbod is dit echter aanmerkelijk minder (De Bruyn 1979).