Uit de literatuur der laatste jaren blijkt, dat het obliehorentje moeilijk levend te vinden is. Wellicht zal het lezers van ons tijdschrift interesseeren, dat zij toch volstrekt niet zoo zeldzaam zijn op sommige terreinen vóór onze kusten, wat ook eigenlijk wel te verwachten was, gezien het tamelijk groote aantal ledige horentjes, dat men hier en daar in het schelpgruis aantreft. Een van de eerste plaatsen, waar ik obliehorentjes in vrij groote hoeveelheden aangespoeld vond, was het gebied om den mond van het Zuidelijk Sloe. Zoowel op de kusten van Ritthem en Nieuw- en St. Joosland, als ten Westen van Borsele, kan men ze steeds vinden op de vloedlijn, maar ze worden gemakkelijk over het hoofd gezien. Gaat men nu de slikken aldaar op om ze levend te vinden tusschen Hydrobia ulvae, dan slaagt men daarin niet. Tusschen duizenden wadslakjes vindt men er nog niet een. En dit is te meer teleurstellend, omdat zij door hun kleur toch gemakkelijk in het oog moesten vallen. Neemt men evenwel een zeef mee, en vult men die met het bovenste laagje slib, – niet dieper scheppen dan hoogstens één cM. – en spoelt men dit slib door de zeef heen, dan vindt men vaak bij den eersten keer reeds de lang gezochte diertjes. Tevens blijkt dan, dat ze niet wit, maar geel zijn of vleeschkleurig van schelp zijn. Het diertje zelf, althans de kop, is wit en eenigszins doorschijnend. Wit worden de schelpjes pas na den dood der slakjes. Een andere goede vindplaats is de westkust van Noord-Beveland.