Naar aanleiding van het in BASTERIA, Vol. 12, pp. 17 – 19 van de hand van C. Beets verschenen artikel over ”Een welhaast vergeten methode voor de conservatie van kleuren van fossiele en recente schelpen”, heb ik enige proeven genomen, die een gunstig resultaat hadden. Ik ging hierbij uit van de opvatting dat de oorspronkelijke kleur van fossiele schelpen in veel gevallen niet zichtbaar is door de aanwezigheid van een grote hoeveelheid met lucht gevulde ruimten in de buitenste laag van de schelp. Deze luchtblaasjes veroorzaken een straalbreking, die het waarnemen van de daaronder gelegen kleur onmogelijk maakt. Indachtig het beginsel van olie-immersie bij microscopen, bewerkte ik de schelpen met parafineolie elvorens ze in een waterglasbad te leggen. Hiermede bereikte ik een verandering van de straalbreking, met het gevolg dat de oorspronkelijke tekening en kleuren, indien deze nog in de schelp aanwezig waren, weer zichtbaar werden. De tijdens de laatste algemene ledenvergadering gedemonstreerde exemplaren van Helix aspersa en Naticasoorten gaven wel een duidelijk beeld van het resultaat. In veel gevallen wordt door deze bewerking de determinatiemogelijkheid vergroot, bijvoorbeeld, bij de fossiele Natica millepunctata.