Een aantal publicaties over Cepaea nemoralis in niet-malacologische tijdschriften had mijn aandacht. Vaak wordt aangenomen, dat het voorkomen van bepaalde kleur en bandvariaties in een populatie veroorzaakt wordt door een selectie uitgeoefend door dieren, die zich met Cepaea voeden. Als grote Cepaea-eter worden de zanglijster en de merel (Turdus musicus en T. merula) aangewezen. Als bewijs wordt het bestaan van ”Lijstersmidsen” aangevoerd: stenen of andere harde voorwerpen waarop lijsters hun Cepaea-buit stuk hakken. Op deze plaatsen zouden dan de licht gekleurde, niet of slechts weinig gebandeerde slakkenhuizen veel talrijker zijn dan de rode, bruine en dichtgebandeerde huisjes. Op deze wijze zouden lijsters selectief werkzaam zijn in een slakkenpopulatie.