Uit het voorgaande (C.B. 87, p. 883-885, C.B. 88, p. 892-894, C.B. 90, p. 914-916) blijkt al wel voldoende, hoe aantrekkelijk dit land is voor malacologen uit Nederland, waar de landmolluskenfauna jong en zoögeografisch weinig belangwekkend is. Afgezien van het grote aantal nieuwe soorten, waarmee de onderzoeker in Cyrenaica kennis maakt, stuit hij op verschijnselen, die wij in ons land bij mollusken niet kennen. Ik noemde reeds het isolement op kleine schaal, veroorzaakt door het rhythmisch afwisselen van zeer droge en betrekkelijk vochtige biotopen in een structureel eenvoudig terraslandschap. Dan de geografische variabiliteit, die over grote afstanden gevolgd kan worden en die een clinaal karakter heeft. Verder het merkwaardige verschijnsel, dat twee geografische rassen, die, op grond van het voorkomen van een gesloten reeks van overgangsvormen, morphologisch tot één soort gerekend moeten worden, zich op sommige plaatsen als verschillende voortplantingsgemeenschappen schijnen te gedragen. Dan noem ik de omkering van het biotopische patroon naar mate men van het zuidwesten naar het noordoosten de kwartboog volgt, die de terrasrand van de Gebel maakt. Ik kom op deze verschijnselen in mijn relaas nog even terug.