De beginnende amateur-malacoloog wordt wel eens voorges-teld als een kleuter die ”zijn eerste schreden” waagt in een geheimzinnig bos, ”vol voetangels en klemmen”, en met duizend kansen om ”het spoor kwijt te raken”. Hij is blij op zijn zwerftocht nu en dan een vakman tegen te komen, die een eindje met hem meeloopt, hem opmerkzaam maakt op verdekt opgestelde valstrikken, en hem nu en dan eens waarschuwend toeroept: ho, ho, kalmpjes aan; dat gaat mis op die manier!