Op het eerste gezicht zon de conclusie kunnen zijn, dat Pisidium lilljeborgii in het Pleistoceen een groter verspreidingsgebied had dan nu, en dat met het stijgen van de gemiddelde jaartemperatuur dit gebied in een aantal middeneuropese ”eilanden” en een Scandinavisch hoofdgebied uiteen gevallen zou zijn. Het is verleidelijk, in dit verband de term ”ijstijdrelict” te gaan gebruiken, bijvoorbeeld wat het voorkomen dezer soort in de Pyreneeën betreft. Zo eenvoudig liggen de kaarten echter niet. In de eerste plaats moet men namelijk bedenken, dat het huidige hoofdverspreidingsgebied van lilljeborgii, namelijk Scandinavië, in de IJstijden door landijs bedekt en dus ontoegankelijk was voor Pisidiums. Hetzelfde geldt voor de hoge bergmeren in de Alpen en de Pyreneeën, die hun ontstaan, aan gletscherwerking te danken hebben en dus pas na het terugtrekken der gletschers bevolkt konden worden. In grote lijnen kan men zeggen, dat het verspreidingsbeeld tijdens het Würm-Glaciaal, om het in fotografische termen uit te drukken, het negatief was van het tegenwoordige. V/aar de soort in het Würm-Glaciaal voorkwam, leeft zij nu niet meer, en waar de soort nu voorkomt, leefde zij tijdens het 'Würm-Glaciaal niet, De soort heeft voortdurend haar verspreidingsgrenzen verschoven,, Waar aan de ene kant gebied verloren ging, kwam er aan de andere kant bij. Dit prijs geven van terrein en koloniseren van nieuwe terreinen, afhankelijk van de wisselingen der uitwendige omstandigheden vond niet alleen eertijds, maar vindt ook nu nog, zowel in horizontale als in verticale zin, plaats. Het resultaat is, dat het tegenwoordige verspreidingsgebied dezer soort benoorden de Alpen en de Pyreneeën stellig uitgestrekter is dan bijvoorbeeld tijdens het Würm-Glaciaal. In dit perspectief past ook het acclimatiseren dezer soort in de hoge bergmeren. De localibeiten in de Pyreneeën zijn, volgens mij, geen restanten van een in het Pleistoceen groter verspreidingsgebied, doch voorgeschoven posten van een zich in het Holoceen uitbreidend areaal. Hier is dus wel een fundamenteel verschil met de huidige verspreiding van de bruine beer. Ik besef, dat ik dit dier er weer met zijn haren bijsleep, en zoögeografen zullen bedenkelijk hun wenkbrauwen optrekken bij zoveel amateuristische vermetelheid.