In 1853 ontdenkte de Berlijnse physioloog Johannes Müller het geheim van de paring van inktvissen. Hij bewees dat de mannelijke Octopus vulgaris in de voortplantingstijd een negende arm als zaadoverbrenger gebruikt, die door het wijfje wordt opgenomen. Voordien was deze afgestoten arm voor een vertegenwoordiger van een parasietengeslacht aangezien waarvan het voorkomen door de seizoenen was bepaald. Door het grote aantal zuignappen en het optreden bij Octopoden werd dit ”dier” Hectocotylis octopodis genoemd. Steunend op deze naam werd het paringsgebeuren dat Müller aan het licht bracht Hectocotylisatie genoemd.