Een oecologisch onderzoek dient te worden voorafgegaan of in ieder geval samen te gaan met een faunistische inventarisatie van het beschreven gebied. Daarom heb ik op Terschelling 237 afzonderlijke wateren bemonsterd, daarbij inbegrepen plaatsen, die periodiek korte of lange tijd droog vallen. Daarnaast werd voor een juister verspreidingsbeeld nog een honderdtal wateren bemonsterd. Bovendien kon ik gebruik maken van gegevens, die de laatste jaren zijn verzameld door Butot (1960, Rivon coll.), Mienis (1968), Meyer (1969) en door de heer W. Kuijper (1967? schriftelijke mededeling). Een en ander is samengevat in tabel I. Yerspreidingskaarten zal ik in de afzonderlijke hoofdstukken geven.