Het Nederlandse rivierenlandschap is de afgelopen eeuwen sterk door de mens veranderd. Hierdoor is de ooit zo karakteristieke riviervisgemeenschap met trekvissen, zoals de Houting (Coregonus oxyrinchus), Fint (Alosa fallax), Elft (Alosa alosa), Zalm (Salmo salar) en Atlantische steur (Acipenser sturio), en typerende soorten van stromende wateren zoals de Kopvoorn (Squalius cephalus), Serpeling (Leuciscus leuciscus), Barbeel (Barbus barbus), Sneep (Chrondrostoma nasus) en Winde (Leuciscus idus) sterk in soortdiversiteit en dichtheden afgenomen. Door grootschalige normalisering van de Nederlandse rivieren en verslechtering van de waterkwaliteit bereikte de visfauna een dieptepunt halverwege de vorige eeuw. Vanaf de jaren ’80 is de waterkwaliteit echter sterk verbeterd en vanaf de jaren ’90 zijn op diverse plekken in uiterwaarden nieuwe wateren aangelegd. Welke rol hebben deze nieuwe habitats voor vissoorten en hebben ze een meerwaarde ten opzichte van bestaande rivieroevers?

uiterwaarden, grote rivieren, vissen, Maas, Rijn, Waal, IJssel, Lek
De Levende Natuur

CC BY 3.0 NL ("Naamsvermelding")

De Levende Natuur

M. Dorenbosch, N. van Kessel, J. Kranenbarg, F. Spikmans, W.C.E.P. Verberk, & R.S.E.W. Leuven. (2014). Het belang van nieuwe uiterwaardwateren als kraamkamer voor riviervissen. De Levende Natuur, 115(003), 110–115.